Koninginnedag in Grafing
Het is heerlijk weer, om mij heen bloesemt en bladert alles, de vogels fluiten, maar toch.... Ik mis iets, denk ik terwijl ik met een volle boodschappentas door het idyllische Grafing struin. Maar wat?
Tegenover de brandweerkazerne is een oploopje. Eerst wil ik er met een grote boog omheen: als er iets ergs gebeurd is, dan helpt het niet, als ik er nog naar ga staan kijken. En mijn laatste EHBO-cursus is lang geleden. Maar als ik dichterbij kom, merk ik dat de mensen vrolijk kijken. Ze drommen om een paar tafels, waar een min of meer gesorteerde hoop spullen op ligt - eronder, ernaast en ervoor liggen de spullen die niet meer op de tafel pasten. Achter iedere tafel staat één persoon, die de andere mensen geinteresseerd aankijkt. Ook deze mensen zijn vrolijk en ontspannen. Ze dragen zonnebrillen en baseballcaps en hebben blikjes fris in hun handen. Een rommelmarkt! Is dit wat ik wilde?
Het volgende moment zie ik niets meer. Als ik weer bij zinnen kom, sta ik voor één van de tafels met een tas in mijn handen. "Daar past nooit mijn laptop in," doe ik een halfhartige poging tot onderhandelen. Maar de man achter de tafel heeft allang de hartjes in mijn ogen gezien en in de zijne verschijnen twee triomfantelijke eurotekens. "Heb meelij, ik ben een arme student," steun ik. "Vier euro," zegt hij minzaam. Dat valt mee.
Het was liefde op het eerste gezicht. De tas is zo'n typische vlooienmarktbuit: lelijk, vormeloos, slecht onderhouden. Maar juist daardoor zo oneindig mooi. En zo sterk dat zij honderden eigenaren overleefd heeft. Het leer is uitgeblubberd en uitgedroogd, maar als ik haar twee keer 24 uur in de bijenwas zet, dan is ze vast nog te redden. Als je iets zelf met veel moeite hebt moeten herstellen, dan is het meer van jou dan de duurste designerartikelen, denk ik. Een ding met karakter, met geschiedenis.
Op de terugweg schiet me opeens te binnen dat het vandaag koninginnedag is. Als je in het buitenland zit, is je hele mentale kalender door de war.
Dus dat was het, wat ik gemist heb! Voor mij horen rommelmarkten bij koninginnedag. En ik zie weer voor me hoe ik van kind af aan door mijn moeder tegenstribbelend over honderd obscure marktjes ben gesleept. Het enige wat me op de been hield, was de beloofde suikerspin na afloop.
Tegen die tijd liep ik meestal al niet meer naast mijn moeder, maar vijf meter achter haar. De suikerspin nam ik met een beleefd "Dank u wel mevrouw" in ontvangst. Want mijn moeder had dan haar armen vol met onbeschrijflijke monsters van dingen waar ik niet mee geassocieerd wilde worden. Aan het begin van de dag probeerde ik het nog met een "Mám, dat kun je niet doen! Als iemand uit mijn klas ons ziet met dat vreselijke potje/pannetje/vaasje/kleedje (vul maar in)." En ik snapte niet hoe uitgerekend ík aan zo'n gênante moeder kwam. Het moest een verwisseling op de kraamafdeling geweest zijn.
En nu zie ik mijzelf, weerspiegeld in een etalageruit, met in mijn rechterhand een mand vol boodschappen en om mijn linkerschouder triomfantelijk mijn grote schat: de gelige, vormeloze leren tas. Als mijn vriendinnen en mijn gastgezin voortaan op straat niet meer naast me willen lopen, dan denk ik maar dat tenminste mijn moeder trots op me zou zijn.
Tegenover de brandweerkazerne is een oploopje. Eerst wil ik er met een grote boog omheen: als er iets ergs gebeurd is, dan helpt het niet, als ik er nog naar ga staan kijken. En mijn laatste EHBO-cursus is lang geleden. Maar als ik dichterbij kom, merk ik dat de mensen vrolijk kijken. Ze drommen om een paar tafels, waar een min of meer gesorteerde hoop spullen op ligt - eronder, ernaast en ervoor liggen de spullen die niet meer op de tafel pasten. Achter iedere tafel staat één persoon, die de andere mensen geinteresseerd aankijkt. Ook deze mensen zijn vrolijk en ontspannen. Ze dragen zonnebrillen en baseballcaps en hebben blikjes fris in hun handen. Een rommelmarkt! Is dit wat ik wilde?
Het volgende moment zie ik niets meer. Als ik weer bij zinnen kom, sta ik voor één van de tafels met een tas in mijn handen. "Daar past nooit mijn laptop in," doe ik een halfhartige poging tot onderhandelen. Maar de man achter de tafel heeft allang de hartjes in mijn ogen gezien en in de zijne verschijnen twee triomfantelijke eurotekens. "Heb meelij, ik ben een arme student," steun ik. "Vier euro," zegt hij minzaam. Dat valt mee.
Het was liefde op het eerste gezicht. De tas is zo'n typische vlooienmarktbuit: lelijk, vormeloos, slecht onderhouden. Maar juist daardoor zo oneindig mooi. En zo sterk dat zij honderden eigenaren overleefd heeft. Het leer is uitgeblubberd en uitgedroogd, maar als ik haar twee keer 24 uur in de bijenwas zet, dan is ze vast nog te redden. Als je iets zelf met veel moeite hebt moeten herstellen, dan is het meer van jou dan de duurste designerartikelen, denk ik. Een ding met karakter, met geschiedenis.
Op de terugweg schiet me opeens te binnen dat het vandaag koninginnedag is. Als je in het buitenland zit, is je hele mentale kalender door de war.
Dus dat was het, wat ik gemist heb! Voor mij horen rommelmarkten bij koninginnedag. En ik zie weer voor me hoe ik van kind af aan door mijn moeder tegenstribbelend over honderd obscure marktjes ben gesleept. Het enige wat me op de been hield, was de beloofde suikerspin na afloop.
Tegen die tijd liep ik meestal al niet meer naast mijn moeder, maar vijf meter achter haar. De suikerspin nam ik met een beleefd "Dank u wel mevrouw" in ontvangst. Want mijn moeder had dan haar armen vol met onbeschrijflijke monsters van dingen waar ik niet mee geassocieerd wilde worden. Aan het begin van de dag probeerde ik het nog met een "Mám, dat kun je niet doen! Als iemand uit mijn klas ons ziet met dat vreselijke potje/pannetje/vaasje/kleedje (vul maar in)." En ik snapte niet hoe uitgerekend ík aan zo'n gênante moeder kwam. Het moest een verwisseling op de kraamafdeling geweest zijn.
En nu zie ik mijzelf, weerspiegeld in een etalageruit, met in mijn rechterhand een mand vol boodschappen en om mijn linkerschouder triomfantelijk mijn grote schat: de gelige, vormeloze leren tas. Als mijn vriendinnen en mijn gastgezin voortaan op straat niet meer naast me willen lopen, dan denk ik maar dat tenminste mijn moeder trots op me zou zijn.
