Thursday, September 08, 2005

Frau Sutherland

I think I know another lonely exile when I see one.
And you appear to be one - Aimee Mann

Deze maand werk ik als toezichthouder in de bibliotheek voor Klassieke Talen. Het is een bibliotheek zoals je je die bij de classici voorstelt. Verstopt in een vergeten hoekje van het achttiende-eeuwse universiteitsgebouw, is de bibliotheek verdeeld over vier lange, smalle ruimtes met hoge plafonds, waaronder duizelingwekkend hoge boekenrekken een plaats hebben gevonden. Smalle wenteltrappetjes leiden naar even smalle galerijen met nog meer papieren wijsheid.

Wie eindelijk de ingang heeft gevonden (nu, in de semestervakantie, komen er ongeveer tien bezoekers op een dag), belandt direkt in één van de vier pijpenlades met boeken. Aan het eind van deze ruimte, tegen het licht in dat door de grote ramen valt, tekent zich het silhouet van de toezichthouder af, die aan een breed bureau zit. Nu ben ik dat, maar meestal zit daar – nu al sinds bijna tien jaar – mevrouw Sutherland, de vaste medewerkster. De toezichthouder ziet alles en iedereen die binnenkomt. Na een paar jaar kent deze sfinx aan de ingang de meesten bij naam. Deze bibliotheek heeft geen elektronisch alarmsysteem. Waarom ook?

De onwetende bezoeker zou kunnen denken dat in deze bibliotheek de tijd stil is blijven staan. Maar Frau Sutherland weet wel beter. Ook hier is de modernisering onverbiddelijk doorgedrongen.

Met haar ravenzwarte, opgestoken haren en haar vaag buitenlands accent zou je je haar op het eerste gezicht ergens in Italie voorstellen – een stralende, jonggebleven nonna uit een olijfoliereclame. Of zo'n oud Grieks omaatje, dat de hele dag met haar rug tegen een of ander pittoresk oud bouwwerk geleund in de zon zit – het liefst in zwart gehuld. Maar misschien is het alleen maar haar werkplek die de oppervlakkige beschouwer tot dit soort speculaties verleidt. Terwijl ik op mijn eerste werkdag naar haar instructies luister, hoor ik in elk geval steeds duidelijker die typische Caroline-Kaart-klank die zich in haar Duits mengt. En haar naam laat ook weinig twijfel over haar afkomst toe. Ze is Schotse. En oma is ze ondanks haar hoge leeftijd waarschijnlijk ook niet – te beoordelen naar haar ongeringde vingers en het aantal overuren dat zij maakt.

Volgens mij heeft zij net zo weinig benul van de boeken, waarmee zij omgeven is, als ik. Maar mevrouw Sutherland is van mening dat zij niet betaald wordt om op de boeken te passen. Die lopen immers niet weg. Nee, om de bezoekers is het haar te doen. Zij kent iedereen van gezicht en bij naam en was tot voor kort de ongekroonde koningin van de bibliotheek. Maar sinds dit jaar alle instituutsbibliotheken gefuseerd zijn en onder de paraplu van de centrale bibliotheek zijn gesteld, gelden hier ineens ook de strenge regels van de andere instituutsbibliotheken – die meestal tien keer zo groot zijn als deze. Zo mag tegenwoordig niemand meer zomaar naarbinnen zonder zijn lidmaatschapskaart bij de balie achter te laten. Als invalkracht vind ik het wel handig, want dan weet ik tenminste wie er binnenkomt. Maar mevrouw Sutherland heeft het er moeilijk mee.

"Ik ken sommige mensen al tien jaar. Die zijn vast en zeker beledigd als ik opeens hun lidmaatschapskaart wil zien! Ze zullen zeggen: 'Frau Sutherland, ík ben het toch! Wilt u mij niet meer kennen?'" Aan haar stem hoor ik dat ze op de rand van tranen is. Eigenlijk zit haar dienst er al een uur op – ik had allang achter het bureau kunnen gaan zitten, mijn koffie kunnen drinken, die nu koud staat te worden en aan mijn proefschrift kunnen werken, denk ik.

"Nog vragen?" Eigenlijk niet, maar om haar niet voor het hoofd te stoten, vraag ik naar het systeem van de kaartenbak, waarin de groene lidmaatschapskaartjes van de binnenkomende bezoekers zijn opgesteld. Sommige kaartjes staan vooraan, alfabetisch geordend, maar achter deze ordelijke rij staat nog een reeks ongesorteerde groene kaartjes. Waarom dat zo is, wil ik weten. Nu wordt mevrouw Sutherland enthousiast:

"Dat is een interessant verhaal. De kaartjes in de eerste rij zijn van de mensen die nu hier binnen zijn. Of van degenen die hun kaartje eens vergeten zijn, maar nog wel regelmatig komen. Maar de eigenaren van die achterste kaartjes heb ik allang niet meer gezien. Soms wel tien jaar niet. Wie weet wat er met hen gebeurd is... Sommigen zijn misschien afgestudeerd of naar een andere universiteit gegaan, anderen zijn getrouwd, hebben kinderen gekregen. Weer anderen..." Ze maakt haar zin niet af.

"Maar stel je voor, " hervat zij, "dat ze ooit weer eens terugkomen. En een boek van ons instituut nodig hebben... Dan weten ze niet dat zij er tegenwoordig helemaal niet in mogen zonder kaartje. En ik zou hen dan buiten moeten sluiten. Maar zo gaat dat niet! Niet bij Frau Sutherland! Ik ken alle gezichten. Bijvoorbeeld dat van ... meneer Müller, " zegt zij, terwijl ze een kaartje uit de bak vist. "Ja, dat was een aardige man. Welnu, als meneer Müller hier ooit weer binnenkomt, dan zal ík niet zeggen 'u hebt geen kaartje, u mag er niet in'. Nee, ik neem dan dit kaartje, en..." Al pratend zet mevrouw Sutherland triomfantelijk een kaartje (met het stempel 'verlengd 1998' erop) voorin de kaartenbak, onder de M. "Bij Frau Sutherland wordt niemand aan de deur gezet!"

Nu ben ik degene die een brok in haar keel krijgt. Onwillekeurig moet ik aan de letterenbieb in Groningen denken, waar het personeel aan de balie pas naar je kijkt, waneer de alarminstallatie aan de uitgang begint te piepen. Als je een boek wilt lenen, wordt je streepjescode gescand. Zodra je lidmaatschap is afgelopen, ben je onherroepelijk uit het geheugen van de bibliotheek gewist. En hier in München zit deze vrouw voor de ingang, die zichzelf tot doel gesteld heeft nooit een naam, nooit een gezicht te vergeten. Hoe zou het voelen, als je een Münchense classicus bent, die naar Amerika is verhuisd – te weten dat, ook al is iedereen je vergeten, in de bibliotheek Klassieke Talen iemand zit die op je wacht? En mevrouw Sutherland zelf? Was zij misschien teruggegaan naar Schotland, als iemand daar maar haar bibliotheekpasje had bewaard?

Het is gebeurd: mijn beleefd-neutrale belangstelling is omgeslagen in pure sympathie."Mevrouw Sutherland," zeg ik zonder ironie, "u bent geweldig." Ze kijkt me waarderend aan – eindelijk iemand die zegt waar het op staat – en knikt majesteitelijk, eer zij verder praat:"Maar het is natuurlijk helemaal niet volgens de regels! En niemand anders kan het zo doen: ik ben de enige die alle bezoekers kent." "Ja mevrouw Sutherland, " zeg ik, "Ze kunnen wel honderd regeltjes bedenken. Maar u bent niet te vervangen." Zij schrijdt tevreden naar de deur – een koningin, zojuist uit ballingschap teruggekeerd. Soms vind ik het niet zo erg dat de vooruitgang een stukje aarde heeft overgeslagen.