Lievelingsscènes uit mijn leven: Kant en de valse hond.
Meestal voel ik mij niet zo prettig als ik een grote groep Duitsers op straat met hun rechterhand omhoog zie staan. Behalve op het station van mijn woonplaats Grafing, een voorstad van München. Daar weet ik inmiddelswat er aan de hand is. Elke ochtend om vijf voor negen is er een opstootje voor de stempelautomaat. Zo'n tien mensen staan klaar met een getrokken strippenkaart, maar in plaats van hem af te stempelen, houden zij hem in de lucht. En als de spoorbomen dichtgaan, gaan en masse de handen van de wachtenden naar beneden - richting automaat.
Dat zit zo. De maandkaarten voor het openbaar vervoer gaan pas om negen uur 's morgens in. Maar eens per dag, om vijf voor negen, vertrekt een directe trein van Grafing naar München en dat is handiger dan de S-Bahn, die pas kwart over negen vertrekt en er ook nog langer over doet. Dus stempelen alle forenzen met een maandkaart één strip af voor de vijf minuten die zij voor negen uur reizen.
Dat wil zeggen: als de trein op tijd is, want vijf minuten vertraging en en je kunt legaal, zonder te stempelen op de trein stappen. Dat gebeurt niet zelden, dus je moet wachten totdat de trein voor je neus staat en dan pas stempelen. Als hij er om negen uur nog niet is, kun je je strippenkaart weer in je zak steken. Dat scheelt toch weer een euro.
Je zou nu kunnen denken dat iedereeen in stilte voor zichzelf besluit om zijn kaartje niet af te stempelen, maar in Duitsland wil iedereen juridisch onaanvechtbaar zijn. Dus om drie minuten voor negen barsten rond de stempelautomaat de discussies los. Meestal is het een vrouw, die als eerste demonstratief haar portemonnee in haar tas terugdoet met de woorden: "Drie minuten. Ìk ga niet meer stempelen, hoor." Vaak stemmen dan twee andere vrouwen met haar in: "Het duurt minstens een minuut voordat de trein binnenrijdt en dan nog een minuut voordat iedereen binnen is en wij kunnen vertrekken." Een oud mannetje, dat ik ervan verdenk dat hij elke ochtend alleen maar op het station komt om paniek te zaaien, merkt op: "Maar dan zijn we om één minuut voor negen in de trein. En je betaalt om in de trein te mogen." "Nietes! Om mee te ríjden!" gaat iemand tegen hem in. Het oude mannetje zet een diepe stem op en legt triomfantelijk zijn grootste troef op tafel: "Wenn des aber a foischer Hund is, ..." (Daarmee doelt hij in goed Beiers op de conducteur, die weleens een gemene hond zou kunnen blijken.)
De kwestie van het één-tot-vijf-minuten-zwartrijden is inmiddels al op de pagina voor alledaagse ethische vraagstukken van de Süddeutsche Zeitung besproken. (De ethicus van de krantenredactie was erop tegen - onder beroeping op Immanuel Kants kategorische imperatief, als ik het mij goed herinner.) Maar voor het geval van vertragingen heeft nog niemand een oplossing.
Je zou het gewoon aan de conducteur kunnen vragen, als hij niet zo'n valse hond zou zijn. Maar eerlijk gezegd ben ik in de drie jaar dat ik op deze lijn reis nog nooit een conducteur tegen gekomen.
Dat zit zo. De maandkaarten voor het openbaar vervoer gaan pas om negen uur 's morgens in. Maar eens per dag, om vijf voor negen, vertrekt een directe trein van Grafing naar München en dat is handiger dan de S-Bahn, die pas kwart over negen vertrekt en er ook nog langer over doet. Dus stempelen alle forenzen met een maandkaart één strip af voor de vijf minuten die zij voor negen uur reizen.
Dat wil zeggen: als de trein op tijd is, want vijf minuten vertraging en en je kunt legaal, zonder te stempelen op de trein stappen. Dat gebeurt niet zelden, dus je moet wachten totdat de trein voor je neus staat en dan pas stempelen. Als hij er om negen uur nog niet is, kun je je strippenkaart weer in je zak steken. Dat scheelt toch weer een euro.
Je zou nu kunnen denken dat iedereeen in stilte voor zichzelf besluit om zijn kaartje niet af te stempelen, maar in Duitsland wil iedereen juridisch onaanvechtbaar zijn. Dus om drie minuten voor negen barsten rond de stempelautomaat de discussies los. Meestal is het een vrouw, die als eerste demonstratief haar portemonnee in haar tas terugdoet met de woorden: "Drie minuten. Ìk ga niet meer stempelen, hoor." Vaak stemmen dan twee andere vrouwen met haar in: "Het duurt minstens een minuut voordat de trein binnenrijdt en dan nog een minuut voordat iedereen binnen is en wij kunnen vertrekken." Een oud mannetje, dat ik ervan verdenk dat hij elke ochtend alleen maar op het station komt om paniek te zaaien, merkt op: "Maar dan zijn we om één minuut voor negen in de trein. En je betaalt om in de trein te mogen." "Nietes! Om mee te ríjden!" gaat iemand tegen hem in. Het oude mannetje zet een diepe stem op en legt triomfantelijk zijn grootste troef op tafel: "Wenn des aber a foischer Hund is, ..." (Daarmee doelt hij in goed Beiers op de conducteur, die weleens een gemene hond zou kunnen blijken.)
De kwestie van het één-tot-vijf-minuten-zwartrijden is inmiddels al op de pagina voor alledaagse ethische vraagstukken van de Süddeutsche Zeitung besproken. (De ethicus van de krantenredactie was erop tegen - onder beroeping op Immanuel Kants kategorische imperatief, als ik het mij goed herinner.) Maar voor het geval van vertragingen heeft nog niemand een oplossing.
Je zou het gewoon aan de conducteur kunnen vragen, als hij niet zo'n valse hond zou zijn. Maar eerlijk gezegd ben ik in de drie jaar dat ik op deze lijn reis nog nooit een conducteur tegen gekomen.
